Tien innovatiecheques voor praktische innovatie in de tuinbouw

Tien innovatiecheques voor praktische innovatie in de tuinbouw

Tien nieuwe projecten ontvangen in 2026 een Innovatiecheque van TKI Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. Met de cheques krijgen (kleinere) mkb-bedrijven ruimte om samen met kennisinstellingen concrete kennisvragen uit de praktijk te onderzoeken. De gehonoreerde projecten laten zien hoe breed de innovatieopgaven in de tuinbouw zijn: van duurzamere gewasbescherming en circulaire bemesting tot energie, bewaring en een efficiëntere benutting van CO₂.

TKI Tuinbouw & Uitgangsmaterialen introduceerde de Innovatiecheques in 2025 om kleinere bedrijven beter te ondersteunen bij toegepaste onderzoeksvragen. Ook in 2026 is de regeling opengesteld. Een Innovatiecheque heeft een maximale waarde van €5.000 en is bedoeld voor onderzoek dat direct aansluit bij een concrete vraag uit de praktijk. Voor 2026 is in totaal €150.000 beschikbaar.

De tien gehonoreerde projecten vormen samen een gevarieerd beeld van de vragen waarmee ondernemers in de tuinbouw aan de slag willen.

Van duurzame gewasbescherming tot biologische bestrijding

Een belangrijk deel van de projecten richt zich op het verminderen van de milieubelasting van gewasbescherming.

In de teelt van Muscari, Allium en Zantedeschia wordt onderzocht of herbiciden met een lagere milieubelasting kunnen worden ingezet als alternatief voor middelen die relatief belastend zijn voor onder meer water- en bodemleven. In praktijkproeven wordt gekeken naar gewasveiligheid, dosering, gewasontwikkeling, opbrengst en productkwaliteit.

Ook in de plantenkwekerij staat het verminderen van chemische gewasbescherming centraal. Brabant Plant onderzoekt samen met andere plantenkwekers hoe chemische middelen bij de opkweek van jonge planten kunnen worden verminderd door sterker in te zetten op onder meer biostimulanten, organische voeding en laag-risico gewasbeschermingsmiddelen. Met monitoringstechnieken wordt gevolgd welk effect deze aanpak heeft op ziekteverwekkers.

In de glastuinbouw wordt daarnaast gekeken naar biologische bestrijding van Echte meeldauw en Botrytis. Nufarm en EUROstyle vergelijken verschillende groene en biologische middelen, zowel afzonderlijk als in combinatie. Het doel is om te komen tot praktisch toepasbare strategieën die bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van conventionele chemische gewasbescherming.

Ook de galmug in alstroemeria krijgt aandacht. De plaag veroorzaakt bloemuitval en de biologie van de soort is nog onvoldoende bekend. Het onderzoek richt zich daarom op soortidentificatie, de ontwikkeling en activiteit van de galmug en op mogelijke biologische bestrijding, onder meer met groene middelen en de roofkever Atheta (Dalotia) coriaria.

Voor mini-gladiolen wordt onderzocht of biologische gewasbeschermingsmiddelen een alternatief kunnen vormen voor de huidige chemische aanpak van Burkholderia. Verschillende biologische middelen worden vergeleken met een chemische referentie en een onbehandelde controle. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar ziekteontwikkeling, maar ook naar gewasstand en opbrengst.

Gezondere en efficiëntere teeltsystemen

Een ander project richt zich op een opvallend praktijkprobleem in de gladiolenteelt in de Duin- en Bollenstreek. Daar wordt uitval gemeld van planten uit partijen die op andere locaties nauwelijks problemen geven. In samenwerking met Wageningen University & Research worden aangetaste en gezonde planten en knollen onderzocht op verschillende mogelijke ziekteverwekkers, waaronder schimmels, bacteriën, oömyceten, virussen en fytoplasma’s. Het onderzoek moet duidelijk maken welke ziekteverwekkers mogelijk samenhangen met de uitval en welke vervolgstappen nodig zijn.

Ook Burkholderia in mini-gladiolen en ziekteverwekkers in gladiolen laten zien dat de Innovatiecheques ruimte bieden om eerst de onderliggende oorzaak van een praktijkprobleem beter in beeld te brengen. Daarmee kan de basis worden gelegd voor gerichte en duurzamere oplossingen.

Energie en CO₂ beter benutten

Innovatie gaat niet alleen over gewasbescherming. In de potplantenteelt onderzoekt SV.CO hoe CO₂ efficiënter kan worden gemeten, verdeeld en benut in een teeltsysteem met verplaatsbare tafels. Door de combinatie van bewegende tafels, een compact bladerdek en vaste sensoren is het niet vanzelfsprekend dat de gemeten CO₂-concentratie representatief is voor wat het gewas daadwerkelijk ontvangt.

Het project brengt daarom onder meer de invloed van tafelpositie, sensorplaatsing, doseerlocatie en luchtstroming in kaart. Het beoogde resultaat is een praktisch meetprotocol en kennis over mogelijke technische aanpassingen voor een gelijkmatigere CO₂-verdeling. Daarmee moet CO₂ efficiënter worden ingezet en kunnen verliezen worden beperkt.

Ook in de winterteelt van lelie staat energie-efficiëntie centraal. Daar wordt onderzocht of gerichte infraroodstralingswarmte vanuit LED-armaturen kan bijdragen aan een betere bladkwaliteit en een gezonder gewas. De onderzoeksvraag richt zich onder meer op het effect van IR-stralingswarmte op bladtemperatuur, VPD en het microklimaat rond de plant.

Circulair omgaan met grondstoffen

Een derde lijn binnen de gehonoreerde projecten is het efficiënter benutten van grondstoffen. In de bloembollenteelt wordt onderzocht of urine als RENURE-stikstofbron kan worden ingezet als gedeeltelijke of volledige vervanger van N-kunstmest. In een praktijkproef worden urinebemesting en de gangbare bemesting met N-kunstmest met elkaar vergeleken. Daarbij wordt gekeken naar stikstofbeschikbaarheid in de bodem, stikstofopname door de bol, gewasgroei, opbrengst en productkwaliteit.

Het project moet inzicht geven in de mogelijkheden om reststromen opnieuw te benutten en zo de afhankelijkheid van kunstmest en fossiele grondstoffen te verminderen.

Duurzamere bewaring van leliebollen

Ook na de teelt liggen er kansen voor verduurzaming. In het project van Gentily, Bredefleur, P.F. Onings en VWS Flowerbulbs wordt onderzocht of leliebollen vóór de lange bewaring met groene producten kunnen worden behandeld zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit.

De bollen worden gedurende zes tot acht maanden koud bewaard. Daarbij wordt onder meer gekeken naar aantasting door Penicillium en vervolgens naar de kwaliteit van de bollen voor de bloementeelt. Groene producten uit onder meer de voedingsindustrie, groene gewasbescherming, micro-organismen en biostimulanten worden onderzocht als mogelijke alternatieven voor de gangbare behandeling.

Kennis die direct aansluit bij de praktijk

De projecten hebben één belangrijk uitgangspunt gemeen: een concrete vraag uit de praktijk vormt het vertrekpunt. De Innovatiecheques maken het mogelijk om die vragen samen met gespecialiseerde kennisinstellingen te onderzoeken. De regeling is nadrukkelijk gericht op toegepaste kennisvragen en vraagt om samenwerking tussen bedrijven en onderzoeksorganisaties. Projectresultaten worden beschikbaar gesteld aan betrokken partijen en gepubliceerd.

De tien gehonoreerde projecten leveren daarmee niet alleen kennis op voor de betrokken bedrijven, maar kunnen ook bijdragen aan bredere verduurzaming en innovatie in de tuinbouw. Van een efficiëntere inzet van CO₂ en nieuwe vormen van bemesting tot biologische gewasbescherming en duurzamere bewaring: de Innovatiecheques brengen onderzoek dicht bij de praktijk.

IMPACT T&U wenst alle betrokken ondernemers en kennisinstellingen veel succes met de uitvoering van de projecten.

Deel dit artikel:

A02-TKI-Stichting-logo-basis-blauw